Versie: 2.0, Consensus based 2012-02-13 , Verantwoording: NABON, Type: Landelijke richtlijn
In Nederland wordt jaarlijks bij ca. 14.000 vrouwen (en 100 mannen) de diagnose invasief mammacarcinoom gesteld en bij ongeveer 1.900 een in situ carcinoom. De kans op het krijgen van een mammacarcinoom is gedurende het leven van een vrouw 12-13%. Hiermee is mammacarcinoom in Nederland de meest voorkomende vorm van kanker bij vrouwen. Door vroegdetectie, vooral in het kader van bevolkingsonderzoek, en adjuvante behandeling in aansluiting op locoregionale behandeling is de prognose van vrouwen met een mammacarcinoom verbeterd. In 2008 zijn de gereviseerde richtlijnen screening en diagnostiek van het mammacarcinoom en behandeling van het mammacarcinoom samengevoegd tot de landelijke richtlijn mammacarcinoom 2008.
Doelstelling
Deze richtlijn is een document met aanbevelingen en handelingsinstructies ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De richtlijn berust op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming gericht op het vaststellen van goed medisch handelen. Er wordt aangegeven wat in het algemeen de beste zorg is voor de vrouw met (verdenking op) een mammacarcinoom of voor hen die voor screening in aanmerking komen. De richtlijn beoogt een leidraad te geven voor de dagelijkse praktijk van de screening, diagnostiek, behandeling en nazorg van het mammacarcinoom. Tevens wordt deze richtlijn gebruikt voor het maken van informatiemateriaal voor patiënten, in samenwerking met het KWF.
Gebruikers richtlijn
Deze richtlijn is geschreven voor alle leden van de beroepsgroepen die aan de ontwikkeling van deze richtlijn hebben bijgedragen. Deze staan vermeld in de colofon (bijlage 1).
Samenstelling werkgroep
Voor de revisie van de richtlijn mammacarcinoom is in 2009 een kerngroep bestaande uit een radioloog, chirurg, patholoog, medisch-oncoloog en radiotherapeut gestart met de voorbereidingen op de revisie. Voor de uitvoering van de revisie is begin 2010 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit gemandateerde vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die met het mammacarcinoom te maken hebben, samen met twee afgevaardigden van de BorstkankerVereniging Nederland (BVN) (zie hiervoor de samenstelling van de werkgroep (zie bijlage 3, bijlage 6, bijlage 7). De voordelen van een dergelijke multidisciplinaire benadering zijn duidelijk: niet alleen wordt hiermee de zorg het best weerspiegeld, ook zal het draagvlak voor de richtlijn optimaal zijn. Bij het samenstellen van de werkgroep is zoveel mogelijk rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden, evenredige vertegenwoordiging van de diverse betrokken verenigingen en instanties, evenals een spreiding in academische achtergrond.
De werkgroep werd procedureel en secretarieel ondersteund door het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) en methodologisch door bureau ME-TA. Financiering is (deels) verkregen van de Orde van Medisch Specialisten in het kader van de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). Deze subsidie had niet tot stand kunnen komen zonder de uitgebreide hulp van de Nederlandse Vereniging voor Radiologie (NVvR).
Werkwijze werkgroep
Bij de ontwikkeling van de richtlijn zijn vier uitgangsvragen geformuleerd. Deze vragen volgen uit een knelpuntinventarisatie gehouden in het veld bij professionals en patiënten(vertegenwoordigers).
- Wat is de sensitiviteit, specificiteit, positief voorspellende waarde, negatief voorspellende waarde en haalbaarheid van MRI naast mammografie in plaats van alleen mammografie bij vrouwen met een verhoogd risico op mammacarcinoom op grond van familiaire belasting?
- Wat zijn de verschillen in locale controle, cosmetiek en overleving tussen hypofractionering bestralingsschema’s en de huidige (langdurige) bestralingsschema’s bij patiënten die MST hebben ondergaan?
- Wat zijn de verschillen in locoregionale controle en overleving bij het al dan niet toepassen van adjuvante systemische therapie of regionale behandeling van de oksel bij patiënten met (sub) micrometastasen in de oksel SWK?
- Welke nieuwe vormen van risicoprofilering zijn - in tegenstelling tot de traditionele prognostische factoren als tumorgrootte, lymfklierstatus en tumorgradering - van invloed op de keuze om al dan niet te starten met adjuvante behandeling bij patiënten met een invasief mammacarcinoom (5-30 mm) en maximaal 3 lymfkliermetastasen, en verschilt dit bij patiënten < 50 jaar, tussen 50 en 70 jaar en ouder dan 70 jaar?
De werkgroep heeft, met hulp van de informatiespecialist van ME-TA, op basis van vastgestelde selectiecriteria literatuur gezocht bij de uitgangsvragen. Een omschrijving van de literatuursearches is opgenomen in bijlage 5. De leden van de werkgroep hebben de gevonden literatuur op basis van relevantie geselecteerd en beoordeeld op kwaliteit en inhoud. De resultaten van de individuele onderzoeken zijn samengevat in evidence tabellen.
Buiten de beantwoording van de uitgangsvragen hebben subgroepen de richtlijn - op grond van actuele evidence - per onderwerp aangepast. Hierbij is de achterban regelmatig geraadpleegd.
Met meenemen van de resultaten van de discussie en de binnengekomen commentaren van de breed uitgezette, landelijke, schriftelijke commentaarronde op de conceptrichtlijn heeft de werkgroep de definitieve richtlijn opgesteld.
Opbouw van de richtlijn
Een revisie van een bestaande richtlijn bestaat uit gereviseerde en geactualiseerde tekst. Gereviseerde tekst is nieuwe tekst op basis van Evidence Based literatuuronderzoek; geactualiseerde tekst is de oude richtlijntekst die door de experts is herzien zonder dat er literatuuronderzoek is gedaan. In elk onderdeel van de richtlijn is aangegeven wat voor soort revisie heeft plaatsgevonden. Elk hoofdstuk van de richtlijn is volgens een vast stramien opgebouwd, dat onderstaand is weergegeven. Het doel hiervan is om de richtlijn transparant te laten zijn, zodat elke gebruiker kan zien op welke literatuur en overwegingen de aanbevelingen zijn gebaseerd.
Beschrijving van de literatuur
De antwoorden op de uitgangsvragen (daardoor de aanbevelingen in deze richtlijn) zijn voor zover mogelijk gebaseerd op gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek. De geselecteerde artikelen zijn door de methodoloog beoordeeld op kwaliteit van het onderzoek en gegradeerd naar mate van bewijs, waarbij onderstaande indeling is gebruikt.
Indeling van onderzoeksresultaten naar mate van bewijskracht bij diagnostische tests
|
A1
|
onderzoek naar de effecten van diagnostiek op klinische uitkomsten bij een prospectief gevolgde goed gedefinieerde patiëntengroep met een tevoren gedefinieerd beleid op grond van de te onderzoeken testuitslagen, of besliskundig onderzoek naar de effecten van diagnostiek op klinische uitkomsten, waarbij resultaten van onderzoek van A2-niveau als basis worden gebruikt en voldoende rekening wordt gehouden met onderlinge afhankelijkheid van diagnostische testen.
|
|
A2
|
Onderzoek ten opzichte van een referentietest, waarbij van tevoren criteria zijn gedefinieerd voor de te onderzoeken test en voor een referentietest, met een goede beschrijving van de test en de onderzochte klinische populatie; het moet een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten betreffen, er moet gebruik gemaakt zijn van tevoren gedefinieerde afkapwaarden en de resultaten van de test, en de ‘gouden standaard’ moeten onafhankelijk zijn beoordeeld. Bij situaties waarbij multiple, diagnostische testen een rol spelen, is er in principe een onderlinge afhankelijkheid en dient de analyse hierop te zijn aangepast, bijvoorbeeld met logistische regressie.
|
|
B
|
Vergelijking met een referentietest, beschrijving van de onderzochte test en van de onderzochte populatie, maar niet de kenmerken die verder onder niveau A staan genoemd.
|
|
C
|
Niet-vergelijkend onderzoek
|
|
D
|
Mening van deskundigen (bijvoorbeeld werkgroepleden).
|
Indeling van onderzoeksresultaten naar mate van bewijskracht bij interventiestudies
|
A1
|
Systematische reviews die ten minste enkele onderzoeken van A2-niveau betreffen, waarbij de resultaten van afzonderlijke onderzoeken consistent zijn.
|
|
A2
|
Gerandomiseerd vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit en met voldoende omvang en consistentie.
|
|
B
|
Gerandomiseerde klinische trials van matige kwaliteit of onvoldoende omvang of ander vergelijkend onderzoek (niet-gerandomiseerd: vergelijkend cohortonderzoek, patiënt-controle-onderzoek).
|
|
C
|
Niet-vergelijkend onderzoek.
|
|
D
|
Mening van deskundigen (bijvoorbeeld de werkgroepleden).
|
Op basis van de literatuur worden per paragraaf één of meerdere relevante conclusies beschreven. De belangrijkste literatuur wordt naar mate van bewijs weergegeven, waardoor conclusies op basis van level of evidence geformuleerd kunnen worden. Alle literatuur die in de conclusie is opgenomen is beschreven in de literatuuromschrijving.
Niveau van bewijskracht van de conclusie op basis van het ten grondslag liggend bewijs
|
Niveau van bewijs
|
Conclusie gebaseerd op
|
Formulering
|
|
1
|
1 systematische review (A1) of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A1 of A2.
|
Het is aangetoond dat…; men dient…
|
|
2
|
Ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B.
|
Het is aannemelijk dat…; men zou…moeten…
|
|
3
|
1 onderzoek van niveau A2 of B, of ten minste 1 onderzoek van niveau C.
|
Er zijn aanwijzingen dat…; men kan…
|
|
4
|
Mening van deskundigen (bijvoorbeeld de werkgroepleden).
|
De werkgroep is van mening dat…
|
Op basis van de conclusie(s) worden aanbevelingen geformuleerd. Echter, naast de evidence uit de literatuur zijn er andere overwegingen die meespelen bij het formuleren van de aanbeveling, zoals veiligheid, patiëntperspectief, professioneel perspectief, kosteneffectiviteit, organisatie en maatschappij. De overige overwegingen worden telkens apart vermeld. Op deze manier wordt duidelijk hoe de werkgroep tot een bepaalde aanbeveling is gekomen. De uiteindelijk geformuleerde aanbeveling is het resultaat van de wetenschappelijke conclusie, waarbij de overige overwegingen in acht worden genomen. Door het richtlijnontwikkelproces op deze manier vorm te geven wordt de transparantie van de richtlijn verhoogd.
Literatuur
De richtlijn wordt afgesloten met een alfabetische literatuurlijst.
Alle conceptteksten zijn bediscussieerd door de werkgroep.
Implementatie
Bij het ontwikkelen van de richtlijnen wordt rekening gehouden met de uitvoerbaarheid van de richtlijn. Daarbij wordt gelet op bevorderende of belemmerende factoren die in de praktijk kunnen spelen. Hierbij valt bijvoorbeeld alleen al te denken aan het uitvoeren van een knelpuntenanalyse, de multidisciplinaire samenstelling van de werkgroep en door actief gebruik te maken van de achterban van de werkgroepleden. Ook het voorleggen van de conceptrichtlijn aan het veld en communiceren wat - al dan niet - met reacties gedaan wordt heeft een implementatiebevorderende werking. Op deze manier is een richtlijn ontwikkeld die antwoord geeft op vragen die in het veld leven.
De richtlijn wordt breed verspreid en is elektronisch beschikbaar op Oncoline (www.oncoline.nl/mammacarcinoom). Een samenvatting van de richtlijn wordt ter publicatie aangeboden aan het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Ook in andere tijdschriften of bij bijvoorbeeld nascholingsbijeenkomsten kan de richtlijn onder de aandacht worden gebracht. Ter bevordering van het gebruik van de richtlijn beveelt de werkgroep zowel de regionale tumorwerkgroepen en samenwerkingsverbanden als de wetenschappelijke en beroepsverenigingen aan de richtlijn bij herhaling onder de aandacht te brengen van de leden. Eventuele knelpunten bij het gebruik van de richtlijnen kunnen dan besproken worden en, waar opportuun, teruggekoppeld worden aan de landelijke richtlijnwerkgroep in het kader van de levende richtlijn. Desgewenst kunnen delen van de richtlijn nader geëxpliciteerd worden door regionale toevoegingen op te stellen of lokale vertaalslagen te maken in afdelings- en/of ziekenhuisprotocollen.
In principe worden tijdens het ontwikkelen van de richtlijn indicatoren voor de evaluatie van de aanbevelingen in de richtlijn opgesteld. Middels een documentatieproject kan met behulp van deze indicatoren worden vastgesteld in hoeverre de richtlijn wordt nageleefd. De informatie uit het documentatieproject vormt input bij de revisie van de richtlijn.
Juridische betekenis van richtlijnen
Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften, maar op evidence gebaseerde inzichten en aanbevelingen van algemene aard waaraan zorgverleners moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen. Na autorisatie van de richtlijn door een beroepsvereniging, wordt de richtlijn gezien als deel van de professionele standaard.
Aangezien de aanbevelingen hoofdzakelijk gebaseerd zijn op de gemiddelde patiënt, kunnen zorgverleners op basis van hun professionele autonomie zonodig afwijken van de richtlijn. Afwijken van richtlijnen kan in bepaalde situaties zelfs noodzakelijk zijn. Wanneer van de richtlijn wordt afgeweken, dient dit beargumenteerd en gedocumenteerd te worden. De toepasbaarheid en de toepassing van de richtlijnen in de praktijk is de verantwoordelijkheid van de behandelende arts.
Belangenverstrengeling
Voor de revisie van de richtlijn is ten dele financiering verkregen van de Orde van Medisch Specialisten in het kader van de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). Een deel van de kosten zijn gedragen door het Integraal Kankercentrum Nederland. Aan alle werkgroepleden is gevraagd tweemaal een belangenverklaring in te vullen, waarin ze hun banden met de farmaceutische industrie aangeven, zowel aan de start als aan het einde van het traject. Een overzicht van deze belangenverklaringen is opgenomen in bijlage 4.
Actualisering/levende richtlijn
De landelijke richtlijn mammacarcinoom is een levende richtlijn, wat wil zeggen dat er geen standaard termijn van revisie aangehouden wordt. Er wordt door het NABON continu gekeken naar welke knelpunten er op het gebied van screening, diagnostiek, behandeling en nazorg er in het veld leven en of de richtlijn daardoor op één of meerdere punten aangepast dient te worden. Zo is de in 2000 uitgebrachte richtlijn Screening en diagnostiek van het mammacarcinoom in 2007 gereviseerd. In 2002 is de eerste multidisciplinaire richtlijn voor de behandeling van het mammacarcinoom verschenen. De behandelrichtlijn is in 2004, 2005, 2006 en 2008 herzien.
Meer informatie over: