Richtlijnontwikkeling De regionale consensus-based richtlijn Kleincellig bronchuscarcinoom is op 1 april 2002 door de werkgroep Regionale Tumorwerkgroep Longtumoren uit de regio van het Integraal Kankercentrum Midden Nederland (IKMN) vastgesteld. Op 28 oktober 2007 is door de werkgroep besloten dat de richtlijn nog voldoende accuraat is.
Inleiding In Nederland wordt bij circa 9.000 mensen per jaar longkanker vastgesteld; 20-25% hiervan heeft een kleincellig longcarcinoom (SCLC). Het merendeel is het gevolg van roken. Zonder behandeling is de mediane overleving van een patiënt met SCLC na het stellen van de diagnose 6 tot 17 weken. Het kleincellig longcarcinoom is op het moment dat het wordt vastgesteld meestal al gemetastaseerd.
Histopathologie Longkanker ontwikkelt zich meestal in de lobaire en segmentale bronchi ter hoogte van de bifurcaties. Het begint met lichte veranderingen (dysplasie) in de basale lagen van het epitheel. Wanneer de volle breedte van de mucosa is aangedaan, spreekt men van een carcinoma in situ. Vermoedelijk duurt deze ontwikkeling vier tot vijf jaar. Vervolgens vindt doorgroei door het basale membraan plaats tot in het onderliggende stroma. Kleincellige carcinomen ontwikkelen zich meestal centraal in de long.
Prognose De prognose van het longcarcinoom is afhankelijk van het celtype en het stadium van de tumor, maar met name van de conditie van de patiënt. Gewichtsverlies heeft een duidelijk negatieve invloed op de prognose.
Patiënten met limited disease hebben zonder chemotherapie een mediane overleving van drie maanden. Met polychemotherapie is de mediane overleving één jaar. De 3-jaars overleving na chemotherapie/radiotherapie bedraagt 30%, de 5-jaars overleving: 7%.
Patiënten met extensive disease hebben zonder chemotherapie een mediane overleving van anderhalve maand en na chemotherapie acht maanden. De 3-jaars overleving is kleiner dan 2% en de 5-jaars overleving kleiner dan 1%.