Aanleiding Met het toenemen van de leeftijd, neemt de incidentie van kanker toe. De vergrijzing van de bevolking heeft tot gevolg dat zowel absoluut als relatief steeds meer mensen kanker krijgen. Jaarlijks wordt bij ongeveer 75.000 patiënten kanker vastgesteld. In 2015 zullen dat naar schatting rond de 95.000 zijn (Nationaal Programma Kankerbestrijding 200437).
Matige tot ernstige pijn komt voor bij 30-40% van de patiënten met kanker ten tijde van de diagnose, bij 40-70% van de patiënten tijdens de behandeling en bij 70-90% in een vergevorderd of terminaal stadium. In meer dan de helft van de gevallen is er sprake van meer soorten pijn.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen nociceptieve pijn en neuropathische pijn. Nociceptieve pijn wordt veroorzaakt door weefselbeschadiging. Deze vorm van pijn is vaak het gevolg van botmetastasen of infiltratie van weke delen of viscera. Neuropathische pijn kan worden gedefinieerd als pijn ten gevolge van beschadiging van het perifere of centrale zenuwstelsel. Pijn bij patiënten met kanker is nociceptief in 65-68% van de gevallen en neuropathisch in 8-9% van de gevallen; bij 23-27% is er sprake van zowel nociceptieve als neuropathische pijn (Zech 1995577, Caraceni 199972).
Pijn wordt veroorzaakt door directe doorgroei van de tumor of metastasen (70%) maar kan ook een gevolg zijn van de behandeling (20%) of door bijkomende ziekten of andere factoren (10%). In de praktijk blijkt vaak een onderrapportage van pijnklachten door onvoldoende kennis en aandacht van hulpverleners en door weerstand bij patiënten om pijn te melden. Het doel van de behandeling is om de pijn op een acceptabel niveau te brengen met aanvaardbare bijwerkingen. Bij optimale behandeling kan dit doel bij circa 90% van de patiënten worden bereikt. In de klinische praktijk ligt dit percentage helaas vaak aanzienlijk lager (De Graeff 2006124).
Er is een gestructureerde, multidisciplinaire aanpak nodig waarbij de rol van (gespecialiseerde) verpleegkundigen en paramedici (zoals fysiotherapeuten, psychologen) extra aandacht behoeft. Ook de voorlichting naar patiënten kan aanzienlijk worden verbeterd.
Bovengenoemde overwegingen waren voor de Vereniging voor Integrale Kanker Centra (VIKC) en de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA) aanleiding een multidisciplinaire, ‘evidence-based' richtlijn te ontwikkelen voor het beleid bij pijn bij patiënten met kanker. Het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO verleende hierbij methodologische expertise.
Doelstelling Deze richtlijn is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De richtlijn berust op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming gericht op het vaststellen van goed medisch handelen. Er wordt aangegeven wat, volgens de huidige maatstaven en aansluitend bij de gangbare Nederlandse praktijk, in het algemeen de beste zorg is voor patiënten met pijn bij kanker. De richtlijn geeft aanbevelingen over de signalering, diagnostiek, medicamenteuze behandeling, niet-medicamenteuze behandeling, voorlichting en begeleiding van volwassen patiënten met pijn bij kanker.
De richtlijn kan worden gebruikt bij het geven van voorlichting aan patiënten en diens naasten. Ook biedt de richtlijn aanknopingspunten voor bijvoorbeeld transmurale afspraken of lokale protocollen.
Specifieke doelen van deze richtlijn voor pijn bij patiënten met kanker zijn het verkrijgen van uniformiteit met betrekking tot de signalering, diagnostiek, behandeling en begeleiding van patiënten met pijn bij kanker. Er zijn kaders nodig waarbinnen de multidisciplinaire zorg van deze patiënten kan plaatsvinden. Daarnaast zal worden ingegaan op de signalering en diagnostiek van pijn bij patiënten met kanker, waarbij een gestandaardiseerde pijnanamnese centraal staat. Deze richtlijn kan tevens bijdragen aan verbeterde communicatie tussen behandelaars onderling en tussen de patiënt, diens naasten en behandelaars. Deze richtlijn beperkt zich tot pijn bij patiënten met kanker en is zowel van toepassing op de curatieve fase als op de palliatieve fase. Preventie van pijn bij patienten met kanker wordt in deze richtlijn niet besproken, omdat hierover onvoldoende gegevens zijn in de literatuur.
Doelgroep De richtlijn is bedoeld voor alle zorgverleners die bij de behandeling van pijn bij patiënten met kanker betrokken zijn: huisartsen, verpleeghuisartsen, medisch specialisten, apothekers, ziekenhuisapothekers, psychosociale hulpverleners, (gespecialiseerd) verpleegkundigen, consulenten palliatieve zorg en fysiotherapeuten.
Knelpuntenanalyse en uitgangsvragen Als startpunt van de richtlijnontwikkeling pijn bij patiënten met kanker werd een knelpuntenanalyse verricht bij de regionale tumorwerkgroepen. Op basis van deze knelpunten heeft de multidisciplinaire werkgroep de uitgangsvragen geformuleerd (zie bijlage 1) die de problemen in de dagelijkse praktijk rond het diagnostisch, therapeutisch en begeleidingsbeleid van pijn bij patiënten met kanker omschrijven.
De uitgangsvragen vormen de basis voor de verschillende hoofdstukken van deze richtlijn. De richtlijn beoogt dus niet volledig te zijn. Daarnaast zijn enkele richtinggevende hoofdstukken opgenomen. Alternatieve geneeswijzen werden in deze richtlijn niet meegenomen.
Voor informatie over: Samenstelling en leden werkgroep (zie bijlage 2)
Werkwijze (zie bijlage 3)
Wetenschappelijke bewijsvoering en onderbouwing (zie bijlage 4)
Patiënteninbreng in richtlijnontwikkeling (zie bijlage 5)
Totstandkoming van de aanbevelingen (zie bijlage 6)
Implementatie en evaluatie (zie bijlage 7)
Juridische betekenis van richtlijnen (zie bijlage 8)
Herziening (zie bijlage 9)
Colofon (zie bijlage 10)
Participerende verenigingen (zie bijlage 11)